TOPIGS succesvol bij terugdringen biggensterfte
Gebalanceerde fokkerij: al sinds 2002 aandacht voor vitale biggen en betere moedereigenschappen
Biggensterfte actueel thema
Het terugdringen van de sterfte van biggen bij de zeug is een actueel thema. Door de toegenomen worpgroottes en de veranderende omstandigheden in de varkenshouderij is het belangrijker dan voorheen om te zorgen voor goede moedereigenschappen en sterke, vitale biggen.
TOPIGS besteedt in zijn fokbeleid al een paar jaar aandacht aan deze aspecten – met succes. TOPIGS heeft als doelstelling: elke extra geboren big moet levend geboren worden en door de zeug zelf én zonder extra hulp van de varkenshouder grootgebracht kunnen worden, om daarna gezond en vitaal in het leven te staan.
Selectie op bigoverleving vanaf 2002
TOPIGS fokt al sinds 2002 met alle zeugenlijnen op bigvitaliteit. Belangrijk voor het toepassen van selectie op bigoverleving en bigvitaliteit is het biggenweegprotocol. Dit schrijft voor dat pasgeboren biggen gewogen moeten worden en dat er registratie moet zijn van uitval en overleggen. Het resultaat van de fokkerij op bigoverleving is te zien in de figuur: sinds 2002 daalt de genetische trend voor toomuitval, terwijl de trend voor worpgrootte blijft stijgen.
Ook belangrijk: moedereigenschappen
Sinds 2004 is er meer en beter begrip omtrent de biologische achtergronden en het gedrag van de zeug. Deze aspecten spelen een rol bij de verschillen in genetische aanleg voor grootbrengend vermogen. Dit inzicht werd onder de noemer ‘grootbrengend vermogen’ opgenomen in het TOPIGS-fokprogramma. Genetisch goede moeders zorgen ervoor dat biggen sneller biest opnemen, want die zeugen zijn rustiger in het kraamhok, liggen vaker in zoogpositie en ze reageren alerter op de biggen.
Extra focus in fokdoel TOPIGS
In 2006 is het TOPIGS-fokdoel opnieuw aangepast met nog meer aandacht voor bigvitaliteit, grootbrengend vermogen en moedereigenschappen. Tegelijkertijd is het aantal zeugen voor de verzameling van gegevens volgens het biggenweegprotocol fors uitgebreid. In de figuur is te zien dat deze aanpassingen een duidelijke verlaging in de genetische trend van toomuitval tot gevolg hebben gehad. Ook laat de figuur zien dat er sinds 2006 extra fokkerij-aandacht is voor het aantal spenen dat de zeug heeft. Het aantal spenen stijgt namelijk sinds dat jaar opmerkelijk.
De rol van de baarmoeder
Sinds 2007 doet TOPIGS ook onderzoek naar de ontwikkeling van de ongeboren biggen in de baarmoeder. Dit heeft invloed op de prestaties van de big na de geboorte. Zo kan een teveel aan ingenestelde embryo’s ten opzichte van de baarmoedercapaciteit (‘uterine crowding’) geboortegewicht, uniformiteit en groei negatief beïnvloeden. De kennis die voortvloeit uit dit soort onderzoek, draagt bij aan een meer gebalanceerde selectie.
De TOPIGS-manier: praktijk en onderzoek samen
De geschetste ontwikkelingen illustreren hoe TOPIGS kennis ontwikkelt en vervolgens toepast in zijn fokprogramma. Ervaringen uit het onderzoeksveld en de praktijk worden op een afgewogen, wetenschappelijk verantwoorde manier verwerkt. Door deze aanpak blijft het TOPIGS-varken in evenwicht: de in steeds grotere aantallen geboren biggen kunnen ook worden grootgebracht.
Het resultaat in beeld

De lijnen geven de ontwikkeling vanaf 2002 aan. Het jaar 2002 is het referentie- of indexjaar. De grafiek laat zien dat de genetische aanleg voor het aantal per worp geboren biggen in 2009 ongeveer 1,2 hoger lag dan in 2002. Uitgaande van een genetische aanleg van 12,4 biggen per worp in 2002, betekent dit dat de genetische aanleg in 2009 13,6 bedraagt.
De genetische aanleg voor biggensterfte stijgt tot 2006 licht, deels een gevolg van de selectie op meer levend geboren biggen. Door de sinds 2006 fors toegenomen extra fokkerij-inspanningen die zijn gericht op bigvitaliteit, is er een trendbreuk zichtbaar. Met meer biggen per worp stijgt namelijk het aantal biggen dat in leven blijft. (De sterfte daalt.)
Om ervoor te zorgen dat de zeug zelf voor de geboren biggen kan zorgen, stijgt ook de erfelijke aanleg voor het aantal spenen. De toename van het aantal spenen van de zeug,houdt de laatste jaren gelijke tred met de toename van het aantal levend geboren biggen per worp.